SALOMON LEVIE (SALLY) MONTEZINOS


Pasfoto 1942

Den Haag 6.5.1924 - waarschijnlijk mei of juni 1943 Dorohucza (volgens In Memoriam 30.11.1943)
In weeshuis: 21.12.1926 - 17.3.1943 (16.2 jaar: van 2.7 tot 18.10 jaar)
Gedeporteerd: 27.4.1943 naar Sobibor

Ouders:
David Levie Montezinos
Amsterdam 15.2.1879 - 29.9.1926 Amsterdam
Louise Hagenaar
Amsterdam 11.1.1887 - 23.4.1943 Sobibor

Broers en zusters:
1. Branca Montezinos
Amsterdam 1.10.1909 - 9.7.1943 Sobibor
Gehuwd met Calman Hakker (Den Haag 21.1.1912)
Kind: Lea Hakker (Den Haag 19.12.1935)
Het gezin 6.7.1943 gedeporteerd naar Sobibor
2. Jacob Levie Montezinos
Amsterdam 27.3.1911 - 13.3.1943 Sobibor (in transportlijst als Montesion)
Gehuwd met Johanna Elburg (Harlingen 4.5.1910)
Kind: Louise Jeanne (Den Haag 6.11.1937)
Het gezin, met Anna en Jozefina, de ongehuwde zusters van Jacob, gedeporteerd 10.3.1943 naar Sobibor
3. Grietje Montezinos
Den Haag 21.9.1912 - '30.9.1942' Auschwitz
Gehuwd met: David Agsterribbe (Amsterdam 31.3.1911 - 9.10.1942 Auschwitz (volgens In Memoriam 30.9.1942)
Het (kinderloze) echtpaar gedeporteerd naar Auschwitz
4. Anna Montezinos
Den Haag 5.1.1914 - 13.3.1943 Sobibor (in In Memoriam als Montesinos)
5. Bilha Montezinos
Den Haag 11.4.1916 - 11.12.1942 Auschwitz
Gehuwd met Levij
6. Eva Montezinos
Den Haag 30.8.1917 - 26.8.1942 Auschwitz
Gehuwd met Tokkie
Kind: Betty? (Den Haag 1.4.1939)
7. Abraham Levie Montezinos
Den Haag 23.8.1919 - 31.10.1942 Auschwitz (volgens In Memoriam 31.1.1943)
8. Josephina Montezinos
Den Haag 17.5.1922 - 13.3.1943 Sobibor

Als Sally´s vader in september 1926 overlijdt, blijven de drie oudste kinderen (dan bijna zeventien, vijftien en veertien) thuis. De jongste zes kinderen gaan naar weeshuizen: Anna, Bilha, Eva en Abraham kunnen begin november al terecht in het Haagse weeshuis, dat dan nog in de Raamstraat gevestigd is (Bilha en Eva waren een half jaar vóór de dood van hun vader al bij twee familieleden in Amsterdam ondergebracht), maar Josephina van vier en Sally van twee hebben de minimumleeftijd van vijf jaar voor opname in dat weeshuis nog niet bereikt en blijven ook nog even thuis. Eind december 1926 heeft het Centraal Israëlitisch Wees- en Doorgangshuis in Leiden plaats voor Sally, een paar weken later het Portugees-Israëlitische Meisjesweeshuis in Amsterdam (van waaruit het gezin Montezinos in 1911 naar Den Haag was verhuisd) plaats voor zijn zus. Daarmee is Josephina de enige van de zes kinderen uit het Portugees-Israëlitische gezin die opgenomen wordt in &eacuate;én van de twee Portugese weeshuizen die ons land dan telt (het jongensweeshuis bevindt zich ook in Amsterdam).

In Leiden is Sally de zesde Portugese jood die in het weeshuis komt. Er is dan nog één andere Portugees: Jacob Nabarro, die in februari 1928, een dag na z'n zesde verjaardag, zijn broer Salomon achterna gaat naar het Portugees-Israëlitische jongensweeshuis in Amsterdam. Vanaf die tijd blijft Sally de enige Portugese jood in het weeshuis tot november 1941, als vier kinderen Vega opgenomen worden.

In Den Haag maken de drie zusters en de broer van Sally begin 1932 de verhuizing van het weeshuis naar het nieuwe onderkomen in de Pletterijstraat mee. Anna is dan kinderverzorgster, Bilha zit in de derde klas van de Handelsdagschool, Eva leert kostuumnaaien aan de Meisjesvakschool en Abraham bezoekt de MULO (I.B. van Creveld, Het wezen van wezen. Joodse wezen in Den Haag 1850-1943. Een monument, p. 108-109). Anna gaat twee jaar later naar Hilversum, Bilha het jaar daarop naar Amsterdam (ze trouwt er en komt terug als Nederlands-Israëlitisch, zoals ook broer Jacob zijn godsdienst na zijn huwelijk laat veranderen), Eva eind 1934 voor ruim een jaar naar het Rotterdamse weeshuis, waar ze een baantje gekregn zal hebben. In Leiden verhuist Sally, vijf jaar oud, ook, naar het nieuwe gebouw aan de Roodenburgerstraat. Hij hoort tot het kleine groepje van vier kinderen - de anderen zijn Jettie Bobbe, Reina Segal en Harry Spier - die nog aan de Stille Rijn gewoond hadden en bleven tot het eind in maart 1943.

Sally is de enige Portugese jood in het weeshuis, maar Piet de Vries herinnert zich dat Sally altijd met hen meebad: alleen diens uitspraak van de gebeden verschilde. Of Sally een sefardisch gebedenboek gebruikte (de overige bewoners waren Hoogduits, en hadden asjkenazische gebedenboeken) is niet bekend. Wel zat Sally later naast weeshuisdirecteur Italie in sjoel, maar dat zal in de tijd geweest zijn dat hij de oudste jongen van het huis was: na het vertrek, in april 1941, van Leo Auerhaan. De oudste kinderen die laatste twee jaar van het weeshuis waren Jettie Bobbe en Corrie Frenkel, op dezelfde dag geboren een tien dagen ouder dan Sally. Jettie had, net als Sally, drie zusters en een broer in het Haagse weeshuis gehad.

Sally, altijd vriendelijk kijkend op de foto's die van hem bekend zijn, is, blijkens het briefje dat hij voor het album voor de heer Levisson schijft, zeker een kind dat zich al vroeg ontwikkeld heeft. Dertien jaar oud, produceert hij de volgende fraaie zin: 'Ik hoop, dat U nog vele jaren voor Uw gezin en familie en voor ons Weeshuis, waarvoor U steeds met grote offervaardigheid hebt gewerkt, gespaard moogt blijven.' Dat zal in de tweede klas van de jongens-ULO geweest zijn.

Na zijn middelbare school gaat Sally bij de zadelmakerij van de firma Brussé op de Middelweg in Leiden werken, waar ook Leo Auerhaan een baan heeft. (Leo verlaat het weeshuis eind november 1940, een dag na zijn achttiende verjaardag, en vertrekt naar Amsterdam.) Sally staat dan ook - als één van de zes kinderen van wie een beroep is aangegeven - als Satller op de lijst die het gemeentenbestuur van Leiden in april 1942 voor de Zentralstelle für jüdische Auswanderung opstelde. Mogelijkerwijs heeft zijn vakkennis hem later, bij aankomst in Sobibor op 30 april 1943, voorlopig het leven gered. Van hem is namelijk - als enige uit het weeshuis en als één van twee joden uit Leiden - bekend dat hij een briefkaartje uit het turfkamp Dorohucza, een nevenkamp van Sobibor, heeft gestuurd.

In Westerbork lijkt Sally ook daadwerkelijk de rol van de oudste weeshuisjongen te hebben vervuld, zeker nadat de voltallige leiding met het eerste transport na aankomst was vertrokken. Hij is het die meneer en mevrouw Stoffels - op 26 maart 1943, drie dagen na dat transport, op de dag dat 35 bewoners van het weeshuis in Sobibor vermoord worden - dankt voor de toegezonden pakjes. Hij groet hen 'namens de kinderen'. Half april blijkt hij met Daniël de Vries en Hans Kloosterman naar barak 64 te zijn verhuisd, 'gevolg van een andere indeling op basis van leeftijden'. Sally is dan 'etensdrager bij het ziekenhuis', zo schrijft Jetty Mogendorff, een zeventienjarig meisje, dat pas eind juli 1942 naar het weeshuis was gekomen. In dezelfde brief vertelt hijzelf dat hij ziek is geworden, maar redelijke verzorging krijgt en extra eten: pap en 200 gram brood extra per dag. 'De lucht is hier uitstekend, maar als het waait is het erg stoffig en als het regent een baggerzooi van jewelste. We liggen hier in een nieuwe barak met veel jongelui. Ik hoop a.s. zondag te voetballen. Binnenkort wordt hier ook gekorfbald.' Het is dan maandag 19 april 1943.

Sally was de één-na-laatste van het ouderlijk gezin die gedeporteerd werd. Hij moet geweten hebben van de deportaties van de anderen naar Auschwitz, en mogelijk ook van het gezin van zijn oudste broer, samen met twee zusters, een week vóór de ontruiming van het weeshuis. De enige die hij teruggezien kan - en waarschijnlijk zal - hebben, was zijn moeder, die op dinsdag 20 april 1943, één dag na zijn brief, uit kamp Westerbork (waar Sally toen al ruim een maand verbleef) op transport naar Sobibor wordt gesteld. Met het volgende transport, van 27 april, gaat hijzelf mee - uit vrije wil? De enige andere kinderen uit het weeshuis in die trein zijn Jettie Mogendorff en haar jongere zusjes Caecilia en Roza. Was Jettie goed bevriend met Sally? Zij was na Didia Klein, die Sally al dertien jaar kende, het oudste meisje dat na het eerste transport van 23 maart 1943 in Westerbork achtergebleven was. De kinderen gaan met hun ouders naar Sobibor (hun vader als Haeftling); Sally had een goede reden om mee te gaan, zijn moeder achterna.
In het SS-Arbeitslager Dorohucza zal Sally niet lang meer geleefd hebben. Jules Schelvis, die er van 4 tot 13 juni 1943 verbleven heeft, schrijft er in Vernietigingskamp Sobibor over: 'De leiding wist vrijwel zeker dat iedereen daar binnen enkele weken zou sterven' (p. 125). De omstandigheden waren er, evenals de SS-bewakers, verschrikkelijk, het werk - turfsteken in de brandende zon zonder een druppel water - uitputtend. Sally was één van de twee mannen uit het transport van 27 april 1943 die (rond zijn negentiende verjaardag, op 6 mei) een kaartje naar Nederland stuurde; van het transport ervoor schreven 25, van dat van 11 mei 64 mannen (p. 127). Op 4 november 1943 werd het kamp, zoals dat heette, geliquideerd - alle gevangenen schoot men dood. Als Sally in Dorohucza gebleven is, en niet vandaaruit naar een ander kamp is overgeplaatst, zal hij waarschijnlijk in mei of juni 1943 gestorven zijn.

Op 23 maart 1943 stuurde Sally Montezinos een brief uit Westerbork. Bedankt voor de pakjes. Velen zijn al weg.

Op 19 april 1943 stuurt Jetty Mogendorff een brief uit Westerbork. Daaronder staat een stuk van Sally Montezinos en bovenin een paar regels van Frieda Lichtenbaum. Met potlood een aantekening 'Sally vanmorgen vertrokken'