BETJE JACOBA (BETSY) WOLF (LATER DOMMERHOLT)

Den Ham 13.7.1924
In weeshuis: 11.1.1932 - 11.3.1943 = 11.2.jaar (van 7.5 tot 18.7 jaar)
Niet gedeporteerd

Moeder:
Lea Johanna Wolff
Den Ham 24.7.1903 -

Vader:
Derk Jan Dommerholt

Erkend door moeder 1.8.1924, Den Ham
Erkend door vader 18.12.1942, Den Ham

Ook Betsy overleefde de oorlog - mede dankzij de buurman van het weeshuis, Hyme Stoffels, die daar na zijn huwelijk in april 1942 met zijn vrouw was komen wonen. Betsy was een kind van een ongehuwde moeder, bij wie Nathan Italie, de directeur van het weeshuis en Stoffels een 'niet Joodse vader' gezocht en gevonden hebben. Volgens overlevering kreeg hij hiervoor de somma van 350 gulden; voor die tijd een fors bedrag.Zo ontkwam zij aan deportatie.

Uit het archief van de heer Stoffels kwam de gevoerde briefwisseling boven water. Deze is hieronder opgenomen:

Nathan Italie vraagt op 21 december 1942 een uittreksel van het geboorteregister in Den Ham aan van de vader van Betsy en een kopie van de geboorteakte van Betsy

Met deze papieren in de hand schrijft Nathan Italie op 4 februari 1943 een brief aan de vader, de heer D.J. Dommerholt om informatie over de grootouders.

Er is een overzichtje wie de de grootouders van moederskant zijn.

Op 12 februari 1943 schrijft Nathan Italie een verzoek om informatie over de grootouders van moederskant van Betsy aan de gemeente Den Ham. Op 22 april komt er antwoord: Een uittreksel uit het bevolkingsreging van de ouders van grootmoeder van moeders kant en Een verwijzing naar de gemeente Ommen omdat de ouders van de vader niet in Den Ham zijn overleden.

Op 26 februari 1942 schrijft Nathan Italie aan de gemeente Boxmeer een verzoek om informatie over de grootouders van moederskant Ook verzoekt hij om informatie over Jacob Wolff

Op grond van alle opgevraagde informatie krijgt Betsy een Verklaring van twee joodse grootouders. Hierdoor is ze gevrijwaard van deportatie. Betsy gaat op 10 maart 1943, een week voor de ontruiming, naar Cronensteinkade 20; het echtpaar Stoffels neemt haar in huis. Op 11 maart komt de officële verhuisvergunning.

Op de avond van de ontruiming, 17 maart vertoonde het weeshuis om half zeven het normale beeld als altijd. Stoffels komt er binnen, samen met Betsy Wolff om afscheid te nemen. Hoewel hij de overbodigheid van zijn woorden kent zegt hij nog eens tegen Italiƫ dat hij de deuren moet openzetten, de kinderen moet laten uitzwerven. "Terwijl we daarover zaten te praten", zegt Stoffels, "was het gebouw plotseling door tien, twaalf man omsingeld. Drie politiemannen, Musscher, Biesheuvel en De Groot hadden de leiding. Musscher voerde het woord".
Het eerste wat ze deden na hun binnenkomst in het weeshuis was Stoffels er uit zetten. Hij mocht niet horen hoe de politie de Joodse kinderen uit hun woning zou verdrijven. Even later komt Stoffels, geschokt, ondanks de wetenschap dat dit moest gebeuren, thuis aan. Daar realiseert hij zich plotseling dat Betsy Wolff, hun beschermelinge, is achtergebleven in het weeshuis. Hij bedenkt zich geen moment, springt op en rent terug naar het weeshuis. "Aanvankelijk werd ik tegengehouden door hoofdagent Biesheuvel, die mij er niet in wilde laten. Ik legde hem uit dat er een meisje in het huis zat dat bij ons hoorde en dat ik haar kwam ophalen. Toen mocht ik er wel in". Stoffels ging naar binnen, kreeg eerst Musscher te spreken en uiteindelijk lukte het hem Betsy uit de greep van de politie te krijgen.

In het archief van de heer Stoffels is nog een briefkaart van Betsy gedateerd 3 mei 1944 aanwezig.