JOZEPH (JOOP) WORMS

Amsterdam 26.2.1920 - '30.9.1942 Auschwitz'
In weeshuis: 16.1.1923 - 29.4.1940 (17.3 jaar: van 2.10 tot 20.2 jaar)
Gedeporteerd: 31.7.1942 naar Auschwitz

Ouders:
Abraham Worms
Amsterdam 1.5.1889 - 31.3.1926 Amsterdam
Sophia Kesner
Amsterdam 9.5.1884 - 28.6.1922 Amsterdam

Broers en zusters:
1. Sara Amanda Worms
Amsterdam 22.1.1911 - 4.6.1943 Sobibor
Gehuwd met Nathan Pinto (Amsterdam 30.9.1907 - 4.6.1943 Sobibor)
Kind: Ronald Pinto (Amsterdam 5.4.1939 - 4.6.1943 Sobibor)
2. Jacob Worms
Amsterdam 16.3.1912 - [niet in In Memoriam]
Gehuwd?
3. Betje Worms
Amsterdam 8.3.1914 - 11.6.1943 Sobibor
Gehuwd met Levie
4. Leendert Worms Amsterdam 26.3.1915 - [niet in In Memoriam]
Gehuwd?
5. Heintje Worms
Amsterdam 15.12.1916 - [niet in In Memoriam]
Gehuwd?
6. Salomon Worms
Amsterdam 15.8.1918 - 26.4.1941 Mauthausen
Gehuwd?
7. Lena Rachel Worms
Amsterdam 16.3.1921 - 9.1.1922 Amsterdam

Joops moeder overlijdt in juni 1922, als hij twee jaar is. In ongeveer anderhalf jaar tijd worden zes van de zeven kinderen ondergebracht in tehuizen en weeshuizen. Als eerste gaat de oudste zoon Jacob in oktober 1922 naar een gesticht. Zijn oudere zus Sara volgt hem in juni 1923. Dan is Heintje al opgenomen in het Centraal Israëlitisch weeshuis te Utrecht (november 1922), waar ruim een jaar later (januari 1924) ook Leendert terecht kan. Het ene landelijke weeshuis in Utrecht had aanvankelijk dus maar plaats voor één van de kinderen Worms; het andere, dat in Leiden, kon er in januari 1923 tegelijk twee plaatsen: Salomon en Joop. In februari 1926 tenslotte gaat de laatste van het gezin, Betje, ook naar het Utrechtse weeshuis, waar een broer en zus van haar dan al een paar jaar wonen. Dat na ruim twee jaar ook het laatste kind thuis weg gaat, moet in verband staan met het overlijden van vader Worms, in maart 1926. De kinderen zijn dan wezen; Joop zou in de geschiedenis van het huis aan de Roodenburgerstraat (waarheen men pas drie jaar later verhuisd) de enige volle wees zijn, hoewel hij - zoals de meeste kinderen - als 'halve wees' opgenomen was. Wanneer zijn broer Salomon het Leidse weeshuis verlaat, is helaas niet bekend [ging hij rond 1926 naar het Utrechtse weeshuis?].

Joop, de enige wees in het nieuwe gebouw, blijft langer dan wie ook in het weeshuis: meer dan zeventien jaar! Rond zijn achttiende verjaardag maakt men het felicitatiealbum voor hun regent Levisson, die dan zestig wordt; Joop is dan na Karel van Santen de oudste - enkele maanden ouder dan Karels zus Esther, die vrijwel gelijk met Joop in het weeshuis was gekomen. Hij schrijft aan de regent: 'Ik beleef hier prettige tijden en moet U daarom wel net als de andere verpleegden een brief van dank schrijven en dat doe ik dan ook met plezier.' Opmerkelijk is dat ouderwetse woord 'verpleegden', dat geen van de andere briefschrijvers gebruikt.

Joop volgt na de lagere school aan de Langebrug, waar alle weeshuikinderen heen gaan, de Ambachtsschool aan de Haagweg.

Eind april 1940, anderhalve week vóór de oorlog naar ons land komt, vertrekt de 'recordhouder' na 17 jaar en 3 maanden uit het weeshuis; hij gaat terug naar zijn geboorteplaats Amsterdam. Daar wordt zijn broer Salomon, die enkele jaren met hem samen in het huis op de Stille Rijn had gewoond, bij é&eactue;n van de twee allereerste razzia's in ons land, op 22 en 23 februari 1941 in de Amsterdamse 'Jodenhoek' opgepakt, samen met nog 388 jonge mannen. Hij overlijdt op 26 april van dat jaar in Buchenwald; enkele weken later brengt men de overlevenden naar Mauthausen. Joop zelf wordt op 31 juli 1942 met het zesde transport naar Auschwitz gedeporteerd. Waar en wanneer hij is gestorven, staat niet vast. Hoogstwaarschijnlijk overleven twee broers en een zuster van hem de oorlog.