De geschiedenis van het Joods Weeshuis te Leiden

Hoe de Toevlucht voor het Kind eindigde in het drama van 17 maart 1943

Van de bouw tot maart 1943

Achttien juni 1929, precies een jaar na de eerste steenlegging, werd het nieuwe onderkomen van het Joods Weeshuis (voluit het Centraal Israëletisch Wees- en Doorgangshuis ‘Machseh Lajesoumim’) op de hoek van de Cronesteinkade en de Roodenburgerstraat officieel geopend. Het vorige pand aan de Stille Rijn, een voormalige brouwerij en wolpakhuis, was te klein geworden en eigenlijk ongeschikt voor de steeds groter wordende groep kinderen. Zo was er nauwelijks ruimte (buiten noch binnen) om te spelen. Reeds in 1900 was het besluit gevallen dat er naar een ander pand moest worden uitgekeken. In 1903 slaagde de regenten erin het stuk grond te kopen (van toenmalige eigenaar architect W.C Mulder) waar ruim 25 jaar later pas de nieuwbouw verrees. Geldgebrek was de oorzaak voor deze grote vertraging.

Foto Weeshuis

loofhut-erker
Het ontwerp voor het weeshuis kwam van de overbuurman aan de Roodenburgerstraat en opvolger van Mulder, de (ook in onze wijk) bekende architect Bernard Buurman. Hij werkte voor dit project samen met de Joodse architect M. Oesterman, die goed bekend was met de Joodse voorschriften en gebruiken. De bouw werd gegund aan de laagste inschrijving voor dit project, de Leidse aannemers A.j. de Laater en P.H. Meyers voor een bedrag van fl. 89.447,=. Voor duizend gulden extra verbonden zij zich aan de verplichting om op de sabbath (zaterdag) en op joodse feestdagen niet te bouwen. Dankzij diverse giften van binnen en buiten Leiden kon het gebouw in stijl worden ingericht. Zo is het geld voor de befaamde voordeur met de Davidster geschonken door een mevrouw uit Arnhem. De grote achtertuin werd bijna voor niks aangelegd dankzij de inspanningen van de toenmalige hortulanus van de Hortus Botanicus, de heer E.Th. Witte. Ook opmerkelijk was de grote erker aan de achterzijde, die gebouwd was om religieuze redenen: hier werd jaarlijks het Loofhuttenfeest gevierd. Het dak kon met behulp van kabels gedeeltelijk omhoog worden getrokken, waardoor, net als bij een echte loofhut, een flink stuk van de lucht zichtbaar werd.

Toevlucht voor het kind
Door al deze inspanningen deed het pand haar Joodse naam bij de opening zeker eer aan: Machseh Lajesoumim, Toevlucht voor het Kind. Totaal hebben er bijna 165 kinderen in dit weeshuis gewoond, in de leeftijd van een 2 tot achttien jaar. Daarna moest men het weeshuis verlaten. Een enkeling tot z'n twintigste blijven.
De kinderen speelden voornamelijk binnen en in de achtertuin. Het huis bood een zee van ruimte. Er was een groot aantal slaapvertrekken, studievertrekken en recreatieruimten. De jongens en meisjes sliepen op gescheiden zalen, met ook weer verschillende afdelingen voor de jongeren en de ouderen. Er waren speciale studeerkamers. Als de ouderen klaar waren met hun huiswerk gingen ze meestal naar de huiskamer in het rechterdeel van het gebouw. Daar stond een grammofoon, een piano en een radio. Op zolder kon aan sport worden gedaan; de jongens boksten er graag.
De dagelijkse leiding van het weeshuis lag tot het einde toe bij Nathan Italie en zijn vrouw (eerste vrouw Sarah Italie-Schaap; tweede vrouw Elizabeth Italie-Cohen). Hij liet toe dat er geregeld ook niet-Joodse kinderen uit de buurt en van school met hun Joodse vriendjes en vriendinnetjes kwamen spelen. Vanaf hun dertiende jaar mochten de weeskinderen ook 's avonds een vriendje bezoeken. Er waren verschillende Joodse en enkele niet-Joodse kindermeisjes. Voor de jongste, niet-schoolgaande kinderen was er een niet-Joodse kinderjuffrouw die buiten het weeshuis woonde. De kinderjuffrouw voor de kinderen van de lagere-schoolleftijd was Mien (of Mina) Gobes, die intern woonde.
Volgens overleverde verhalen was het in het weeshuis gezellig en vrij los, zolang iedereen zich hield aan de religieuze normen. Er werden spelletjes gedaan, muziek gemaakt en geholpen in het huis.
De jonge kinderen speelden meestal in de ronde, grote erker. Daar bevonden zich ook de in allerlei bonte kleuren geschilderde kastjes waar het speelgoed werd bewaard.

School aan Langebrug
De weeskinderen (die er de leeftijd voor hadden) gingen onder leiding van juffrouw Gobes naar de openbare lagere school aan de Langebrug. Zij liepen in een rij volgens een vaste route: de Cronesteinkade uit naar de Zoeterwoudsesingel, links af, over de Van Disselbrug het plantsoen in, links af, over de Korevaarstraat het steegje door naar de Garenmarkt, rechts af, over de Steenschuur en tot slot de Langebrug.

Sabbath
Op vrijdagavond was het plezier afgelopen. Dan begon de sabbath. Er mocht dan geen licht meer worden aangedaan, sigaretten roken was taboe. Op zaterdagochtend, van half acht tot half tien gingen de kinderen, zonder uitzondering, naar de synagoge aan het Kort Levendaal. Daarna pas volgde het ontbijt. Ook in de middag en de avond volgde nog een bezoek aan de synagoge.
Op doordeweekse dagen werd 's ochtends gestart met een gebed en twee maal moesten alle kinderen wederom een bezoek brengen aan de synagoge.

Veiligheid en geborgenheid
De hele sfeer in het weeshuis was gericht op veiligheid en geborgenheid. Nathan Italie droeg dit hoog in zijn vaandel. Waren de kinderen immers niet aan zijn verantwoordelijkheid toevertrouwd? Het was deze begrijpelijke houding die maakte dat hij zich niet bedreigd wenste te voelen door de Jodenhaat van de Duitse bezetter. Ondertussen waren er, vanaf eind jaren dertig, ook Joodse kinderen uit Duitsland bijgekomen. Begin jaren veertig raakte het tehuis steeds drukker bevolkt, ook met kinderen die ouder waren dan 18 jaar. Zij mochten in het 'veilige huis' expres langer blijven.

Naar volgende pagina